Martinus van der Avoird & Elisabeth Pijnenburg 1685-1716

Tijdens mijn onderzoek naar de herkomst van onze familie, stuitte ik in het gemeentearchief van Breda op een aantal gegevens, die mij in staat stelden over het leven van een van mijn voorouders en zijn echtgenote de volgende episode te reconstrueren:

Op 22 januari 1685 werd in de kerk aan de Brugstraat te Breda Martinus van der Avoird gedoopt als derde kind van het echtpaar Johannes van der Avoird en Elisabeth Servies. Toen Martinus 19 jaar oud was, waren zijn ouders reeds overleden. Het ongeluk wilde, dat hij op dat moment moest trouwen met Elisabeth Pijnenburg, die zwanger was van hem. Zijn voogd, Ludovicus Spijckers, had hier echter een andere mening over en vond, dat Martinus maar eens eerst de kost moest leren verdienen. Je zou het in onze tijd een degelijke ouderwetse opvatting kunnen noemen. Enfin, dat gaf natuurlijk een hele boel herrie, waar zelfs de rechter aan te pas kwam. Zie onderstaande akten:

R249 Akte 6 - augustus 1704:
Aende Ed.Achtb.Heeren President en Scheepenen der Stad Breda

Gesien bij Ludovicus Spijckers als voogd van Martinus van der Avoird, minderjaerige soone van Johannes van der Avoird, de toesichte op den naeme van het selve weeskint aen Ued.Agtb. overgegeve ende ter obedientie van UEd. apostille op de selve in date den 18e augustij 1704, daer tegens sullende rescriberen, doet seggen, dat de voornoemde Martinis van der Avoird nogh nauwelijcx bereijct heeft den ouderdom van neghentien jaeren, Ende niet is geexerceert in eenigh ambagt ofte bequam om ietwes ter hand te trecken, waer door hij voor hem selve, veel min voor vrouw en kinderen den cost soude connen winnen. Sijnde der selven in april laestleden eerst bij Quirijn van Hoogeveen, wijncooper binnen Delft, besteedt ende aengenomen voor eene somme van tweehondert en vijftien guldens boven ende behalven sijne montcosten, om gedurende den tijd van twee agtereenvolgende jaeren bij den selve geleert ende onderwesen te werden in de coopmanschap van koele wijnen, brandewijnen ende moutwijnen, mitsgaeders in het bereijden ende bewercken van dien met allent gene daer aen dependeert, op dat hij in tijden ende wijlen daer voor in staet soude mogen wesen om sigh eerlijck te connen geweren. Dat derhalven het houwelijck waer toe den voorn. Martinis van der Avoird in sijne jonge jaeren ende onbedagte sinnen door Elisabeth Pijnenburgh verlockt schijnt te wesen, ende alsoo geseduceert, om sijn ambagt te verlaeten, voor hem niet anders can sijn als ruineus ende perintieus (?), te meer nogh omdat de familie van de selve Elisabeth Pijnenburgh is necessiteus ende bij haer alleen maer toelegh gemaect wert om door dit houwelijck de gereede effecten van hem van der Avoird maghtigh te werden ende sigh daer door te ontlasten, t'welck dan oock de reden is geweest waerom de moeder van voorn. Martinis van der Avoird in haer leven soo seer is geanimeert geweest tegen de minste conversatie, die sij sagh dat de voorn. Elisabeth Pijnenburgh met haeren soon quam te hebben ofte maeken, dat sij op haer dood bedde haeren soon heeft doen beloven sigh daer van te sullen onthouden ende aen den ondergeteekende ende andere haere vrienden op het ernstighste heeft gerecommandeert gehad, dat sij die conversatie op alderleijwijse dogh souden tragten te beletten ende haeren soone alsoo van sijne totale ruine te weerhouden. Mits attent welcke den ondergeteekende als voogd van den voornoemden Martinis van der Avoird, opvolgende de goede ende regtmatige sentimenten mitsgaeders serieuse recommedatie van desselfs overledene moeder vermeijnd met seer goet fondament ende reden bevoegt te sijn om sijn consent tot het voorn. houwelijck te declineren. Ende verhoopt oock den ondergeteekende dat UEd. als oppervoogden dese sijne gedagten sullen approberen, ende daer neven den voorn. Martinis van der Avoird, ex officio recommanderen van het voorn. houwelijck af te sien, Ende ter contrarie sigh verder te begeven naar Delft om sijne coopmanschap ende brandewynmaeckerij volcomenlijck te leeren ende also aldaer oock het bedongen leergelt te vergeefs niet te laeten uijtgeven implorerende daer toe UEd. Agtb. nobile officine

J.L. Spijckers

R249 Akte 6:
Aen den Ed. Rade van Brabandt

Geeft reverentlijck te kennen Martinus van der Avoort, woonende tot Breda, dat den suppliant sich selven in den huwelijcken staet, met de persoon van Elisabeth Peijnenburgh, jonge dogter, mede woonende tot Breda voorn., willende begeven, daerinne tot desselfs groot ongenoegen, door seeckere Johannes Lodewijck Spijckers, woonende tot ter Heyden inde Baronnie van Breda, die bij testamente van des suppl. moeder zalr Elisabeth Servies, weduwe wijlen Johannes van der Avoort tot voocht over hemsuppl is aengestelt, wort geimpedieert ende verhindert op een seer futiel ende opgeraept protext, hoewel (onder reverentie) seer ongehoort, dan den supplt. niet alleen minderjarigh, maar oock naeuwelijcx soude hebben bereijckt den ouderdom van twintich jaeren, datt off wel een voocht (onder reverentie) naer rechte gehouden is te moeten geven suffisante redenen waeromme een minderjaerige een voorgenomen houwelijck niet soude mogen voltrecken, ende dat de voors. allegatien van des supplts. voocht, den voorn. Johannes Lodewijck Spijkers, insgelijcx naer rechte geensints konne wesen van sulcken effect, dat daer door een voorgenomen huwelijck sijne voortganck ende voltreckinghe niet hebben soude, gelijck als des supplts. toekende voocht een Cornelis Beens, coopman in laeckenen tot Breda, sich in geenen deele parthije stelt,maer het desseijn vande supplt (als desselfs persoon leven en gedrach. mitsgaeders op de voors. jonge dogter Elisabeth Peijnenburgh niets wetende bij te brengen) volcomen aggieert, soo blijft echter den voorn. administrerende voocht Johannes Lodewijck Spijckers weijcherigh sijn consent volgens het echt reglement, gerequireert in het huwelijck vanden supplt. te gedragen, ende vervolgens den suppl. tot het voltrecken van dien niet can procederen, het welcke (onder reverentie) soo niet en behoort, mits welke soo keert sigh den supplt. in alle respect tot UEd.Mog. seer ootmoedelijck versoeckende dat UEd.Mog.soo den voorn. administrerende, als toesiende voochten den voors. Johannes Lodewijck Spijckers en Cornelis Beens respectieve voor soo veel als de laeste sich ditmaal mochte parthije stellen, gelieven te ordonneren haer consent int voorgenomen huwelijck vanden suppl. te gedraegen, off wel voor Heeren Commissarissen van desen Ed. Rade te allegeren suffisante redenen, waeromme in de voltreckinge van het voors. huwelijck niet connen conserteren. Dit doende etc. ende was onderteeckent:
Mich. Jagers Copije appoint.
Den Raed ordonneert de gemelde Joh.Lod.Spijckers ende Corn.Beens in hare gemelde Qualiteijten consent te dragen in des supplts. gemeld voorgenomene huwelijck, nisi causam, die sij luijden off wel den genen die onwillich mochte sijn, sullen off sal hebben te allegeren voor de Heeren W.van Persijn ende Johan Schott, Raden ordinaris in den Rade als Commissarissen, op aenstaende maandagh ende acht dagen, sullende sijn den 6e October Onder stont:
Actum inde Rade den 25 September 1704 ende was geteeckent

B. vander Haer

R249 Akte 6:
Aen de Ed.Achtb. Heeren den Drossaert, Borgemeester ende Schepenen der Stadt Breda

Geeft reverentelijck te kennen Martinus van der Avoirt, geboortich alhier, dat hij suppl. eenen geruijmen teijdt ter eere gevreden ende de vrijagie gemaeckt heeft aan Elisabeth Pijnenborch jonge doghter ende alhier woonachtich, met dewelcke hij supplt. oock van dese sijne liefde ende affectie te meer malen kennisse gegeven heeft gehadt, aen sijne vooght Ludovicus Spijckers, tegenwoordich woonachtich ter Heijden, ten fine ende om tot devoors. trouw te hebben sijn consent ende toestemminghe, die dit sijn consent tot noch toe heeft gedelaijeert ende presenselijck gerefuseert, ende want hij supplt. in alle manieren bevindt, dat de affectie ende genegentheijt tusschen hem suppl. ende de voors. Elisabeth Pijnenborgh is constant, ten effecte dat daer op, onder reverentie een huwelijck behoorde te volgen, daer toe echter hij suppl. tegemoet siet, dat geen minnelijck consent ende toestemminge, van den voors. sijnen vooght en sal connen erlangen, soo keert hij supplt. sich to UEd.achtb. seer gedinstelijck versoeckende UEd.achtb. goeden geliefde sij boven gemelten sijnen vooght Lowies Speijckers, mitsgaders Sr. Cornelis Beens, borger ende coopman in lakenen alhier, des suppleants toesiender, te ordonneren, aen den supplt. te geven consent om het voors. huwelijck in facie eclesie, naer behooren te voltrecken, maeckende hij supplt. in cas van contradictie wel expresselijck eijsch van costen

Martinus vanderavoort het welck doende, etc.

Trouwboek Grote Kerk te Breda no. 41/2108-146

Martinus van der Avoirt j.m. van Breda ende

Lijsbeth Pijnenburgh j.d. van Breda
woond in de Karstraat
ondertr. 31.10.1704 - getrouwd 16.11.1704

Daarmede is echter dit verhaal nog niet ten einde:

Op 17 oktober 1710 krijgt het echtpaar in ieder geval nog een zoon, Michaël genaamd, naar zijn grootvader. Waarschijnlijk is Martinus rond 1712/1713 overleden en ging Elisabeth weer spoedig op vrijersvoeten. Op 26 februari 1714 kreeg ze een onecht kind (een dochter Adriana) van een zekere Adriaen Adriaenssen van Dijk, die zijn trouwbelofte aan haar aanvankelijk niet wenste na te komen.
Na een door haar aangespannen proces voor de Schepenbank Princenhage (rol april-juli 1714) trouwde het paar op 17 oktober 1716 te Princenhage en daarmee werd dochter Adriana gewettigd.

Ter "leering ende vermaeck" enkele zinsneden uit dit proces:

Elisabeth Pijnenborg, weduwe van Martinus vander Avoirt, geassisteert met Cornelis vanden Brule als haren gekoiren voogd in desen, doet hiet mede reghtelijk dagvaarden voor d'heeren wethouderen deser heerlijckheijt Hage tegens den eersten Reghtdag, die wensen sal den 4e vanden aenstaende maent Junij des Jaars 1714 en indien het alsdan geen Reghtdag is, tegens den eersten Reghtdag daeraen volgende, den persoon van Adriaen Adriaenssen van Dijk, ten Eynde den selven alsdan sal hebben te expiregeren (?) enz. enz. actum Hage den 25e mey 1714

dat den gedaagde en defaillant nae eene langduurige conversatie ende vrijage met deselve sigh niet alleen door trouwbelofften aen haar heefft geënguageert ende verbonden, Ende tot een teecken offte pand van dien aan deselve ook heefft gegeven een stuck geld van agt en twintigh stuijvers, mitsgaders van haar wederom op die voorwaerde ontfangen een silvere ducaton, dat hij met haar tot vleeselijcke conversatie is geraect ende haar geimpregneert heefft, soodanigh dat sij op den 25 februarij des jaers 1714 van kinde is verlost geworden (de akte vermeldt 26 februarij 1914), Ende off wel derhalven den gedaagde ende defaillant behoort hadde de voorz. haere sijne gegevene trouwbelofften nae te komen,

Ende vervolgens de aenleggerse door het houwelijk wederom in haar Eere te herstellen, soo is hij eghter van daar van weijgerigh ende in gebreeke gebleven, Ter oorsaeke soo men verstaet dat sijne ouders hem naderhand van het selve huwelijk hebben getraght te diverteren, sonder noghtans daar toe de minste reden off grond te hebben, Tot soo verre dat hij om derselver humeur ende caprice intevolgen, alle sinistre middelen ende quade practijcquen aangewend heefft, dat hij door groote belofften ende aenbiedingen van considerabile somme gelds andere gesogt heefft te suborneren ende optemaecken ten eijnde sij souden willen verclaren, dat sij met de aenleggerse vleeselijk hadden geconverseert en de vader vant kind waeren

VONNIS
condemneren den selven om de aenleggerse te nemen tot zijne eghte en wettige huijsvrouwe en het selve huwelijck volgens de wetten en placaten deser Landen in facie ecclesia te solemniseeren met condemnatie van de gedaagde en defaillant mede in de costen van dese procedure ter taxatie ende moderatie van desen geregte

Breda, desen 28 september 1715

En tenslotte nog de huwelijksakte:
Op den 17 Octobris 1716 soo sijn gecompareert Lambragt Heesterman, vorster alhier, in qualt en in den name van Adriaan Adr.van Dijck, absent sijnde, volgens authorisatie van Hren Wethouderen alhier de dato 12 Octobris 1716 en in die qualt als bruydegom

en

Elisabeth Pijnenborg, weduwe wijlen Martinus vander Avoirt, wonende alhier, als bruijt, ter andere zijde, soo sijn de voorz. persoonen in qualiteyt als voor tusschen hen beyde hebbende het kint t'welk gen. van Dijk aen haer bruijt heeft geprocieert (soo sy seijde) in desen houwelijken staet bevestigt in collegio desen 1 november 1716.

Het lijkt ons géén geweldig huwelijk te zijn geweest !! Tot zover Elisabeth Pijnenborg, weduwe van Martinus van der Avoirt (IX.21).